Wat is er toch met ‘er’?

“Vandaag gaan wij praten over het meest favoriete woord van ie-der-een.” Als ik mijn les met deze woorden begin, weten de meeste cursisten wel hoe laat het is. “Weet iemand misschien welk woord dat is?” Het antwoord op deze vraag gaat dikwijls gepaard met zenuwachtig geschuifel, rollende ogen en diepe zuchten, maar uiteindelijk zegt er altijd wel iemand “Er…”. Inderdaad, ‘er’. Maar wat maakt dit kleine woordje toch zo lastig?

Om te beginnen is het woordje ‘er’ bijna niet te horen in een zin. Probeer de titel van deze blog eens hardop voor te lezen. Hoe klinkt dat? Grote kans dat je “Wat issur…?” zegt. Hierin schuilt het eerste ‘gevaar’. Om iets te kunnen leren, moet je er eerst je aandacht op vestigen. Maar hoe doe je dat als een woord haast onhoorbaar is? Daarnaast wekt deze onopvallendheid onterecht de indruk dat het woord ‘er’ niet belangrijk is en dat brengt ons bij het tweede obstakel.

Cursisten vermijden ‘er’. In geschreven teksten slaan ze het woord vaak over, omdat ze denken dat het geen betekenis heeft en ze gebruiken het zelf ook niet omdat ze niet weten wat ze ermee aan moeten. Geef ze eens ongelijk! In principe kun je je in het Nederlands prima redden zonder ‘er’ ooit in de mond te nemen. Toch is het belangrijk dat cursisten het woord ‘er’ leren doorgronden en toepassen. Enerzijds omdat het ze helpt om natuurlijker te klinken, anderzijds omdat het ze helpt om de nuances van het Nederlands nog beter te begrijpen. ‘Er’ wordt op veel verschillende manieren gebruikt en heeft wel degelijk betekenis. Meerdere zelfs.

Het punt is alleen dat de betekenis van ‘er’ afhankelijk is van de context. ‘Er’ verwijst (bijna) altijd naar iets uit de vorige zin en kan dus ook door dat woord vervangen worden. Kijk maar naar de voorbeelden hieronder. Waar verwijst ‘er’ naar?

Voorbeeld 1
Vraag: “Hoeveel kinderen heb je?”
Antwoord: “Ik heb er twee.”

Voorbeeld 2
Vraag: “Heb je weleens gehoord van ‘glamping’?”
Antwoord: “Ik heb er nog nooit van gehoord.”

Voorbeeld 3
Vraag: “Wanneer was je voor het laatst in Amsterdam?”
Antwoord: “Ik ben er vorig weekend nog geweest.”

De uitleg

Als het goed is, heb je gezegd dat ‘er’ respectievelijk verwijst naar ‘kinderen’, ‘glamping’ en ‘in Amsterdam’. Maar er is ook een subtiel verschil in de betekenis van ‘er’ in deze drie voorbeelden, zoals hieronder te zien is:

Voorbeeld 1: ‘er’ in combinatie met een telwoord
Vraag: “Hoeveel kinderen heb je?”
Antwoord: “Ik heb twee van deze personen/dingen.”

Voorbeeld 2: ‘er’ in combinatie met een voorzetsel
Vraag: “Heb je weleens gehoord van ‘glamping’?”
Antwoord: “Ik heb nog nooit van dat verschijnsel/thema gehoord.”

Voorbeeld 3: ‘er’ in combinatie met een locatie
Vraag: “Wanneer was je voor het laatst in Amsterdam?”
Antwoord: “Ik ben daar vorig weekend nog geweest.”

Er zijn echter ook situaties waarin ‘er’ nergens naar verwijst, bijvoorbeeld in zinnen als ‘Er wordt gelachen.’ of ‘Er staat een man voor de deur.’. Voor beide zinnen bestaat er een grammaticale uitleg, maar soms volstaat het ook om te zeggen dat zinnen die een situatie beschrijven beginnen met ‘er’.

Tot slot zijn er nog de idiomatische uitdrukkingen met ‘er’: zinnen/woordcombinaties waarbij het geen zin heeft om na te denken over de letterlijke betekenis. Wat betekent ‘er’ bijvoorbeeld in ‘Wat is er?’, ‘Ik kom eraan.’ en ‘Dat doet er niet toe.’? Wie het weet, mag het zeggen.

Ben je overtuigd van het belang van ‘er’ en wil je er zelf mee aan de slag? Maak kennis met de taaltrainingen van Language Partners! Onze projectcoördinatoren voorzien u graag van advies. Language Partners is te bereiken op 020 – 685 2991 of via info@languagepartners.nl.

Taaltrainer VikaOver de auteur
Vika Lukina werkt als NT2-trainer voor Language Partners. Ze is gespecialiseerd in de branches ICT, onderwijs en voeding.

Laat wat van je horen

*