Wat wilt de cursist leren?

Het komt in bijna elke training die ik geef wel een keer voorbij. Soms als vraag van een cursist, soms omdat een cursist de vorm gebruikt bij het schrijven van een stukje tekst: is het nou hij wilt of hij wil? Het antwoord is op zich simpel: hij wil is de enige juist vorm. Maar waarom doen dan zoveel mensen het fout? En waarom is het eigenlijk niet hij wilt?

Ik ben geboren en getogen in Rotterdam, en heb dus eigenlijk altijd wel mensen hij wilt horen zeggen. Net als ik gaat en hij hep. Lang schoof ik dat op ‘plat praten’ (wat mij door mijn ouders ten strengste verboden werd). Maar toen ik – lang na mijn verhuizing naar Amsterdam – in het onderwijs belandde, bleef ik dat hij wilt, enigszins tot mijn verbazing, tegenkomen. Ook ver bij Rotterdam vandaan en bij mensen die daar nooit gewoond hadden. Enkele voorbeelden van internet: “Minister Henk Kamp van Economische Zaken wilt dat meer melkveehouders de mest vanuit het bedrijf gaan omzetten in energie.” “FIA wilt vanaf GP Barcelona de regels van T-wing aanpassen.” “De rapper wilt een rechtszaak aanspannen.” “Een op de vijf Nederlandse automobilisten wilt van de auto af.”

Stam + t

Dat mensen hij wilt schrijven (of zeggen), is natuurlijk niet zo vreemd: bij de derde persoon enkelvoud hoort immers de regel ‘stam + t’: hij loopt, hij denkt, hij zegt, enz. Hij wilt past prima in dat rijtje. Maar helaas: willen is net niet helemaal regelmatig in de tegenwoordige tijd, en onttrekt zich aan deze regel. Het volledige rijtje is als volgt:

ik wil
jij / u wilt / wil
hij / zij / het wil
wij / zij / jullie willen

Opmerkelijk is dat in de tweede persoon enkelvoud (bij jij en u) zowel wilt als wil mogelijk is. De vormen met t worden hier als wat netter en formeler gezien dan die zonder, en verdienen in zakelijke teksten daarom meestal de voorkeur. Maar bij die derde persoon enkelvoud is juist alleen de vorm zonder t correct.

Taalgebruikers, en zeker zij die een taal nog leren, zoals kinderen en immigranten, houden niet van dergelijke onregelmatigheden, en hervormen zo vaak beetje bij beetje de taal. Dat zie je bijvoorbeeld bij werkwoorden die vroeger sterk waren en nu (ook) zwak zoals waaien en varen, maar dus ook bij de vervoeging van willen, waar het regelmatige hij wilt in opmars lijkt te zijn. Toch zal het nog wel even duren voordat dit als de juiste vorm wordt gezien; zulke veranderingen gaan heel langzaam.

Aanvoegende wijs

Maar waaróm is het nou niet hij wilt? Dat heeft te maken met de geschiedenis van het werkwoord willen. Willen bestond oorspronkelijk alleen in de aanvoegende wijs, die we nog kennen in vormen als moge (in: Moge het je goed bekomen) of leve (in Lang leve de jarige!). Al in de Middeleeuwen werd het werkwoord ook als gewone tegenwoordige tijd gebruikt, maar nog met de vormen van die aanvoegende wijs: ic wille, du willes, hi wille. Toch werd ook toen hij wilt al af en toe gebruikt. En ook in teksten uit de zestiende en zeventiende eeuw komt de vorm nu en dan voor. Toch heeft hij wilt het nog steeds niet tot de standaardvorm geschopt, en blijf ik cursisten dus uitleggen dat het toch echt hij wil moet zijn.

Over de auteur

AleidAleid van de Vooren werkt als NT1-trainer voor Language Partners. Aleids missie is om mensen efficiënter te leren schrijven, zodat ze in minder tijd betere teksten kunnen maken.

Laat wat van je horen

*